Martijn Tubbergen: Ik wil weten waarom mensen dingen doen
‘Ik wil dingen beter maken en op een hoger niveau krijgen en vooruit helpen. Ik ben niet iemand die alleen op de zaak past, ik participeer actief mee. Ik wil graag een bijdrage leveren aan het mooier maken van onze maatschappij.’ Zo omschrijft Martijn Tubbergen zichzelf, gevraagd naar de belangrijkste aspecten aan haar karakter.
Hecht
Mathilde (Martijn) Tubbergen werd 41 jaar geleden geboren in Rotterdam. ‘Mijn vader was op zestienjarige leeftijd vanuit Suriname naar Nederland gekomen om medicijnen te studeren. Hier ontmoette hij mijn (Nederlandse) moeder en hij is gebleven. Mijn vader is Creools en licht van huidskleur, vandaar dat ik niet veel kleur heb meegekregen.’ Ze is de jongste uit een gezin van drie en het enige meisje.
Martijn bewaart goede herinneringen aan haar jeugd. ‘Mijn broers waren respectievelijk vier en zes jaar ouder; ik heb altijd mijn best gedaan om erbij te horen en op het zelfde niveau te functioneren. Ik kan wel zeggen dat ik behoorlijk ben verwend, ik was zowel letterlijk als figuurlijk een zondagskind. Ik was een erg uithuizig kind. Niet omdat ik het thuis niet naar mijn zin had, maar ik was altijd op pad om nieuwe dingen te ontdekken en te doen. Mijn ouders lieten mij die vrijheid, zonder dat we elkaar uit het oog verloren. Nog steeds kookt mijn moeder eens per week voor ons en past ze twee dagen op de kinderen. Mijn echtgenoot, die ook huisarts is, heeft de praktijk van mijn vader overgenomen. We zijn een erg hechte familie.’
Psycholoog
Martijn was nog maar tien of elf toen ze wist dat ze psycholoog wilde worden. ‘Ik wilde weten waarom mensen dingen doen. Ook nu nog. Waarom kan iemand zo aardig zijn in de omgang en toch delicten plegen? En waarom doet zijn broer dat bijvoorbeeld niet terwijl ze toch uit het zelfde gezin komen?’ Ze studeerde psychologie in Utrecht en daarna communicatiewetenschappen in Amsterdam. Omdat ze nog erg jong was, besloot ze door te gaan met klinische psychologie en ze deed een postdoctoraal psychotherapeut en klinisch psychische registratie. ‘Ik kreeg de kans om een soort snuffelstage te lopen bij wat toen het Meijers Instituut heette. Iedereen die TBS (terbeschikkingstelling als je een zwaar delict hebt gepleegd, red.) had gekregen kwam daar terecht. Ik zat daar naast mijn studie als (vrijwillig) psycholoog op een groep met allemaal TBS-ers en vond het erg boeiend om de psyche van deze mensen te leren begrijpen. Je ziet niet de dossiers maar de echte mens, je houdt je bezig met de tegenstrijdigheid van gevoelens voor de mensen die je spreekt. Als behandelaar leer je de stoornissen herkennen. Je hoeft niet te oordelen, dat is al geveld door de rechter. Je vindt iemand als mens aardig of minder aardig maar verder spelen gevoelens geen rol, ik kon er objectief tegenaan kijken.
Loopbaan
Na mijn studie solliciteerde ik op de functie van hoofd behandeling met de gedachte: ‘nee heb ik, ja kan ik krijgen’. Ik werd aangenomen en heb hier acht jaar gewerkt. Het was voor mij een groot voordeel dat ik eerst in de praktijk van dit instituut had gewerkt. Ik vond het erg leuk om van inhoud naar leidinggeven over te stappen. En om samen met de staf iets te bereiken. Met zijn allen kun je meer dan alleen. Na acht jaar begon het te kriebelen. Ik was inmiddels ook moeder geworden en ik keek niet meer zo vrijblijvend naar de TBS-ers.
Het is belangrijk dat je objectief blijft en je gevoelens niet laat meespelen maar als moeder, voelde ik ook voor de slachtoffers. Ik solliciteerde, toen ik zwanger was van mijn tweede kind, naar de functie van locatiedirecteur van Almere Binnen, een penitentiaire inrichting. Ik dacht toen nog in mijn naïviteit dat het gevangeniswezen en een TBS-kliniek broertjes van elkaar waren. Ik begon daar meteen na mijn bevallingsverlof. Ik vroeg Rita Verdonk, toen nog niet politiek actief, om mijn externe coach te worden en daar stemde ze mee in. Ik had haar eerder leren kennen tijdens mijn snuffelstage. Ze gaf me een aantal waardevolle tips waaronder de volgende: ‘Zorg dat je als vrouw niet de softe portefeuilles krijgt’. De harde portefeuilles waren volgens haar: arbeid en beveiliging. Ik zorgde dat ze onder mijn verantwoordelijkheid kwamen. Het was een prettige organisatie (wijst trots naar een grote foto van Almere Binnen tegen de muur, red.) en ik heb er ruim vijf jaar, van 2001-2006, met veel plezier gewerkt.
Op een gegeven moment draaide alles goed en werd mijn agenda te ‘leeg’. Daarmee wil ik zeggen dat er voor mij niet meer genoeg uitdaging zat. Ik wilde een stap hoger en meer invloed uitoefenen. Bovendien wilde ik weer terug naar de inhoud. Het frustreerde me ook dat je in een Huis van Bewaring onvoldoende geld hebt om echt iets te kunnen betekenen. Uiteindelijk werd ik in 2006 aangenomen in een Justitiële Jeugdinrichting: Den Engh. Het was een instelling die we vroeger jeugdgevangenis noemden. Ik haat deze benaming, hij werkt stigmatiserend, maar zo heette het in de volksmond.’
Den Engh
Martijn Tubbergen kwam terecht in een organisatie die leed onder negatieve berichtgeving in de media, er was een schuld van zeven miljoen, een verkeerde taakverdeling en de Inspectie had een aantal zeer negatieve rapporten uitgebracht. ‘We hebben er met zijn allen de schouders onder gezet en een jaar na mijn aanstelling kregen we weer een positieve rapportage. Ik wil niet zeggen dat alles verkeerd was onder het oude bewind. We hebben ingrediënten uit de goede methodieken gebruikt als basis voor een nieuw beleid.
In 2008 vond er een grote reorganisatie plaats en in februari 2009 kwam Den Engh onder verantwoordelijkheid van het ministerie van VWS. Dit heeft alles te maken met onze overgang van een Justitiële Inrichting naar een gesloten inrichting voor jeugdzorg. Het is een ‘tussenvorm’ van opvang voor jongeren die geen delict hebben gepleegd maar te agressief zijn of te complexe problemen hebben voor provinciale opvang. In het verleden werden kinderen die een ondertoezichtstelling kregen van de rechter in een Justitiële Inrichting geplaatst terwijl ze geen delict hadden begaan.
In de provinciale opvang kon men bij deze kinderen niet de zogeheten ‘drang en dwang’ toepassen. In deze tussenvorm mag dat wel, als de gedragsconsulent bepaalt dat het nodig is voor een goede behandeling. Momenteel gaat bijna 80% van de jongeren met een ondertoezichtstelling naar een gesloten inrichting voor jeugdzorg om geen stigma te krijgen. Een kind blijft een kind en heeft hulpverlening nodig. Ik denk dat het belangrijk is om ze meer vaardigheden te geven en op te nemen in een omgeving die beschermend voor ze is. Om kinderen weer te integreren in een beroepsomgeving hebben we twee schepen waar deze jongeren een opleiding krijgen tot matroos. En het blijkt te werken. Ze maken deel uit van een ‘familie’ en leren zich weer staande te houden in de maatschappij.’
Samen
In de laatste tweeënhalf jaar is er veel veranderd, vertelt Martijn Tubbergen. ‘Het is voor het personeel zeker niet gemakkelijk geweest om te wennen aan een nieuwe manier van werken. En opeens krijg ik een mooie prijs, terwijl ik denk: de mensen die hier werken hebben al veel gedaan en krijgen nog veel meer te doen. Een verandering kun je niet alleen doen, daar werk je met zijn allen aan. Misschien ben ik uitgeroepen tot Etnische Vrouwelijke Manager Nederland, 2009, maar deze prijs hebben we met zijn allen verdiend.’
Haar uitverkiezing tot Etnische Vrouwelijke Manager Nederland 2009, heeft niet veel invloed gehad op haar huidige functie maar ze is wel met veel andere organisaties in aanraking gekomen. ‘Forum nam contact met mij op en verschillende netwerken binnen de Ministeries. Ik wil graag bijdragen aan het verbeteren van het integratieproces. Ik heb een werkgroep opgezet om te kijken wat we kunnen veranderen binnen onze eigen organisatie.
Toen ik bij Den Engh kwam, werkten er vooral ex-militairen die full time beschikbaar waren. Inmiddels bestaat mijn directieteam uit twee mannen en twee vrouwen. In mijn vorige functie in Almere, had ik in elke discipline op managementniveau een vrouw. Voor mij heeft diversiteit niet alleen te maken met etniciteit maar ook met gender, leeftijd, handicap; er moet meer aandacht komen voor al deze groepen zodat je een werkelijke afspiegeling krijgt van de maatschappij.
Een paar jaar geleden heb ik met een aantal vrouwen een netwerk opgericht voor vrouwen op leidinggevend niveau. We komen enkele keren per jaar samen. Niet uit een feministisch gedachtegoed maar omdat vrouwen en mannen nu eenmaal een verschillende kijk op zaken hebben en we veel van elkaar kunnen leren.’
Meerwaarde
Toen ze werd gebeld door de bestuursdienst dat ze was genomineerd voor de award van Etnische Vrouwelijke Manager Nederland voelde ze zich zeer vereerd. Maar tegelijkertijd vroeg zij zich af of ze wel een rolmodel zou kunnen zijn. ‘Ik vind het helemaal niet zo bijzonder wat ik doe. Als ik het kan, kan een ander dat ook. Dat komt waarschijnlijk ook door mijn totale gebrek aan hiërarchische gevoeligheid.
Ik ben ook nooit zo bezig geweest met mijn biculturaliteit. Natuurlijk heb ik een gemengde opvoeding gehad, maar dat was voor mij heel gewoon. Ik stond er niet bij stil dat het in andere huishoudens wel eens anders zou kunnen zijn. Ik vind biculturaliteit wel een meerwaarde hebben. Als je opgroeit tussen en met verschillende culturen leer je met een open en onbevooroordeelde blik naar anderen kijken. Ik vind het ook belangrijk dat mensen zichzelf in de maatschappij kunnen herkennen.
Ik doe mee aan een coachingtraject binnen VWS waarbij biculturele talenten worden gekoppeld aan directeuren. Niet alleen zodat de biculturele talenten leren van de directeuren maar zeker ook andersom, het is echt een uitwisseling van kennis en ervaring. En natuurlijk doe ik ook mee aan het project: Rolmodel stimuleert Talent.’
Ga ervoor
Martijn Tubbergen is een bevlogen mens en ze is dol op haar werk en gezin. Twee van haar drie zoons zijn fanatieke voetballers en in haar spaarzame vrije tijd is ze coördinator van de mini’s. ‘Ik trek niet zo’n scheiding tussen huis en werk. Ik werk ’s avonds nog veel thuis als de kinderen op bed liggen en ik heb mijn telefoon altijd bij me. Maar ik word niet zo vaak gebeld. Ik ben niet het type dat wakker ligt van dingen, je kunt niet altijd alles goed doen als mens, niet privé en niet zakelijk. Dat heb ik geaccepteerd.’
Hoe kunnen (etnische) vrouwen zichzelf zichtbaar maken? ‘Als je ervoor gaat kun je veel bereiken. Ga uit van je kracht, niet van je zwaktes. Gebruik die dingen die in je voordeel werken en waar je anders in bent. Voor mij was het een voordeel dat ik een vrouw was, laat je eigenwaarde zien en laat zien hoe jij een meerwaarde kunt hebben.’
©Mariel van den Donk
‘Ik wil dingen beter maken en op een hoger niveau krijgen en vooruit helpen. Ik ben niet iemand die alleen op de zaak past, ik participeer actief mee. Ik wil graag een bijdrage leveren aan het mooier maken van onze maatschappij.’ Zo omschrijft Martijn Tubbergen zichzelf, gevraagd naar de belangrijkste aspecten aan haar karakter.
Hecht
Mathilde (Martijn) Tubbergen werd 41 jaar geleden geboren in Rotterdam. ‘Mijn vader was op zestienjarige leeftijd vanuit Suriname naar Nederland gekomen om medicijnen te studeren. Hier ontmoette hij mijn (Nederlandse) moeder en hij is gebleven. Mijn vader is Creools en licht van huidskleur, vandaar dat ik niet veel kleur heb meegekregen.’ Ze is de jongste uit een gezin van drie en het enige meisje.
Martijn bewaart goede herinneringen aan haar jeugd. ‘Mijn broers waren respectievelijk vier en zes jaar ouder; ik heb altijd mijn best gedaan om erbij te horen en op het zelfde niveau te functioneren. Ik kan wel zeggen dat ik behoorlijk ben verwend, ik was zowel letterlijk als figuurlijk een zondagskind. Ik was een erg uithuizig kind. Niet omdat ik het thuis niet naar mijn zin had, maar ik was altijd op pad om nieuwe dingen te ontdekken en te doen. Mijn ouders lieten mij die vrijheid, zonder dat we elkaar uit het oog verloren. Nog steeds kookt mijn moeder eens per week voor ons en past ze twee dagen op de kinderen. Mijn echtgenoot, die ook huisarts is, heeft de praktijk van mijn vader overgenomen. We zijn een erg hechte familie.’
Psycholoog
Martijn was nog maar tien of elf toen ze wist dat ze psycholoog wilde worden. ‘Ik wilde weten waarom mensen dingen doen. Ook nu nog. Waarom kan iemand zo aardig zijn in de omgang en toch delicten plegen? En waarom doet zijn broer dat bijvoorbeeld niet terwijl ze toch uit het zelfde gezin komen?’ Ze studeerde psychologie in Utrecht en daarna communicatiewetenschappen in Amsterdam. Omdat ze nog erg jong was, besloot ze door te gaan met klinische psychologie en ze deed een postdoctoraal psychotherapeut en klinisch psychische registratie. ‘Ik kreeg de kans om een soort snuffelstage te lopen bij wat toen het Meijers Instituut heette. Iedereen die TBS (terbeschikkingstelling als je een zwaar delict hebt gepleegd, red.) had gekregen kwam daar terecht. Ik zat daar naast mijn studie als (vrijwillig) psycholoog op een groep met allemaal TBS-ers en vond het erg boeiend om de psyche van deze mensen te leren begrijpen. Je ziet niet de dossiers maar de echte mens, je houdt je bezig met de tegenstrijdigheid van gevoelens voor de mensen die je spreekt. Als behandelaar leer je de stoornissen herkennen. Je hoeft niet te oordelen, dat is al geveld door de rechter. Je vindt iemand als mens aardig of minder aardig maar verder spelen gevoelens geen rol, ik kon er objectief tegenaan kijken.
Loopbaan
Na mijn studie solliciteerde ik op de functie van hoofd behandeling met de gedachte: ‘nee heb ik, ja kan ik krijgen’. Ik werd aangenomen en heb hier acht jaar gewerkt. Het was voor mij een groot voordeel dat ik eerst in de praktijk van dit instituut had gewerkt. Ik vond het erg leuk om van inhoud naar leidinggeven over te stappen. En om samen met de staf iets te bereiken. Met zijn allen kun je meer dan alleen. Na acht jaar begon het te kriebelen. Ik was inmiddels ook moeder geworden en ik keek niet meer zo vrijblijvend naar de TBS-ers.
Het is belangrijk dat je objectief blijft en je gevoelens niet laat meespelen maar als moeder, voelde ik ook voor de slachtoffers. Ik solliciteerde, toen ik zwanger was van mijn tweede kind, naar de functie van locatiedirecteur van Almere Binnen, een penitentiaire inrichting. Ik dacht toen nog in mijn naïviteit dat het gevangeniswezen en een TBS-kliniek broertjes van elkaar waren. Ik begon daar meteen na mijn bevallingsverlof. Ik vroeg Rita Verdonk, toen nog niet politiek actief, om mijn externe coach te worden en daar stemde ze mee in. Ik had haar eerder leren kennen tijdens mijn snuffelstage. Ze gaf me een aantal waardevolle tips waaronder de volgende: ‘Zorg dat je als vrouw niet de softe portefeuilles krijgt’. De harde portefeuilles waren volgens haar: arbeid en beveiliging. Ik zorgde dat ze onder mijn verantwoordelijkheid kwamen. Het was een prettige organisatie (wijst trots naar een grote foto van Almere Binnen tegen de muur, red.) en ik heb er ruim vijf jaar, van 2001-2006, met veel plezier gewerkt.
Op een gegeven moment draaide alles goed en werd mijn agenda te ‘leeg’. Daarmee wil ik zeggen dat er voor mij niet meer genoeg uitdaging zat. Ik wilde een stap hoger en meer invloed uitoefenen. Bovendien wilde ik weer terug naar de inhoud. Het frustreerde me ook dat je in een Huis van Bewaring onvoldoende geld hebt om echt iets te kunnen betekenen. Uiteindelijk werd ik in 2006 aangenomen in een Justitiële Jeugdinrichting: Den Engh. Het was een instelling die we vroeger jeugdgevangenis noemden. Ik haat deze benaming, hij werkt stigmatiserend, maar zo heette het in de volksmond.’
Den Engh
Martijn Tubbergen kwam terecht in een organisatie die leed onder negatieve berichtgeving in de media, er was een schuld van zeven miljoen, een verkeerde taakverdeling en de Inspectie had een aantal zeer negatieve rapporten uitgebracht. ‘We hebben er met zijn allen de schouders onder gezet en een jaar na mijn aanstelling kregen we weer een positieve rapportage. Ik wil niet zeggen dat alles verkeerd was onder het oude bewind. We hebben ingrediënten uit de goede methodieken gebruikt als basis voor een nieuw beleid.
In 2008 vond er een grote reorganisatie plaats en in februari 2009 kwam Den Engh onder verantwoordelijkheid van het ministerie van VWS. Dit heeft alles te maken met onze overgang van een Justitiële Inrichting naar een gesloten inrichting voor jeugdzorg. Het is een ‘tussenvorm’ van opvang voor jongeren die geen delict hebben gepleegd maar te agressief zijn of te complexe problemen hebben voor provinciale opvang. In het verleden werden kinderen die een ondertoezichtstelling kregen van de rechter in een Justitiële Inrichting geplaatst terwijl ze geen delict hadden begaan.
In de provinciale opvang kon men bij deze kinderen niet de zogeheten ‘drang en dwang’ toepassen. In deze tussenvorm mag dat wel, als de gedragsconsulent bepaalt dat het nodig is voor een goede behandeling. Momenteel gaat bijna 80% van de jongeren met een ondertoezichtstelling naar een gesloten inrichting voor jeugdzorg om geen stigma te krijgen. Een kind blijft een kind en heeft hulpverlening nodig. Ik denk dat het belangrijk is om ze meer vaardigheden te geven en op te nemen in een omgeving die beschermend voor ze is. Om kinderen weer te integreren in een beroepsomgeving hebben we twee schepen waar deze jongeren een opleiding krijgen tot matroos. En het blijkt te werken. Ze maken deel uit van een ‘familie’ en leren zich weer staande te houden in de maatschappij.’
Samen
In de laatste tweeënhalf jaar is er veel veranderd, vertelt Martijn Tubbergen. ‘Het is voor het personeel zeker niet gemakkelijk geweest om te wennen aan een nieuwe manier van werken. En opeens krijg ik een mooie prijs, terwijl ik denk: de mensen die hier werken hebben al veel gedaan en krijgen nog veel meer te doen. Een verandering kun je niet alleen doen, daar werk je met zijn allen aan. Misschien ben ik uitgeroepen tot Etnische Vrouwelijke Manager Nederland, 2009, maar deze prijs hebben we met zijn allen verdiend.’
Haar uitverkiezing tot Etnische Vrouwelijke Manager Nederland 2009, heeft niet veel invloed gehad op haar huidige functie maar ze is wel met veel andere organisaties in aanraking gekomen. ‘Forum nam contact met mij op en verschillende netwerken binnen de Ministeries. Ik wil graag bijdragen aan het verbeteren van het integratieproces. Ik heb een werkgroep opgezet om te kijken wat we kunnen veranderen binnen onze eigen organisatie.
Toen ik bij Den Engh kwam, werkten er vooral ex-militairen die full time beschikbaar waren. Inmiddels bestaat mijn directieteam uit twee mannen en twee vrouwen. In mijn vorige functie in Almere, had ik in elke discipline op managementniveau een vrouw. Voor mij heeft diversiteit niet alleen te maken met etniciteit maar ook met gender, leeftijd, handicap; er moet meer aandacht komen voor al deze groepen zodat je een werkelijke afspiegeling krijgt van de maatschappij.
Een paar jaar geleden heb ik met een aantal vrouwen een netwerk opgericht voor vrouwen op leidinggevend niveau. We komen enkele keren per jaar samen. Niet uit een feministisch gedachtegoed maar omdat vrouwen en mannen nu eenmaal een verschillende kijk op zaken hebben en we veel van elkaar kunnen leren.’
Meerwaarde
Toen ze werd gebeld door de bestuursdienst dat ze was genomineerd voor de award van Etnische Vrouwelijke Manager Nederland voelde ze zich zeer vereerd. Maar tegelijkertijd vroeg zij zich af of ze wel een rolmodel zou kunnen zijn. ‘Ik vind het helemaal niet zo bijzonder wat ik doe. Als ik het kan, kan een ander dat ook. Dat komt waarschijnlijk ook door mijn totale gebrek aan hiërarchische gevoeligheid.
Ik ben ook nooit zo bezig geweest met mijn biculturaliteit. Natuurlijk heb ik een gemengde opvoeding gehad, maar dat was voor mij heel gewoon. Ik stond er niet bij stil dat het in andere huishoudens wel eens anders zou kunnen zijn. Ik vind biculturaliteit wel een meerwaarde hebben. Als je opgroeit tussen en met verschillende culturen leer je met een open en onbevooroordeelde blik naar anderen kijken. Ik vind het ook belangrijk dat mensen zichzelf in de maatschappij kunnen herkennen.
Ik doe mee aan een coachingtraject binnen VWS waarbij biculturele talenten worden gekoppeld aan directeuren. Niet alleen zodat de biculturele talenten leren van de directeuren maar zeker ook andersom, het is echt een uitwisseling van kennis en ervaring. En natuurlijk doe ik ook mee aan het project: Rolmodel stimuleert Talent.’
Ga ervoor
Martijn Tubbergen is een bevlogen mens en ze is dol op haar werk en gezin. Twee van haar drie zoons zijn fanatieke voetballers en in haar spaarzame vrije tijd is ze coördinator van de mini’s. ‘Ik trek niet zo’n scheiding tussen huis en werk. Ik werk ’s avonds nog veel thuis als de kinderen op bed liggen en ik heb mijn telefoon altijd bij me. Maar ik word niet zo vaak gebeld. Ik ben niet het type dat wakker ligt van dingen, je kunt niet altijd alles goed doen als mens, niet privé en niet zakelijk. Dat heb ik geaccepteerd.’
Hoe kunnen (etnische) vrouwen zichzelf zichtbaar maken? ‘Als je ervoor gaat kun je veel bereiken. Ga uit van je kracht, niet van je zwaktes. Gebruik die dingen die in je voordeel werken en waar je anders in bent. Voor mij was het een voordeel dat ik een vrouw was, laat je eigenwaarde zien en laat zien hoe jij een meerwaarde kunt hebben.’
©Mariel van den Donk